Burn After Reading

Productiejaar: 
2008
Categorie: 
Langspeelfilm
Releasedatum: 
10/12/2008
Verdeler: 
U.I.P.
Speelduur: 
95 minuten
Filmgenre: 
Komedie
Regisseur: 
Ethan Coen
/  
Harry Pfarrer
Frances McDormand
/  
Linda Litzke
/  
Chad Feldheimer
/  
Osborne Cox
JK Simmons
/  
CIA-diensthoofd
Tilda Swinton
/  
Katie Cox
Richard Jenkins
/  
Ted
Elizabeth Marvel
/  
Sandy Pfarrer

Hun dertiende film leveren de broertjes Coen inmiddels af (de bijdrage voor kortfilmverzamelingen als “Paris, Je T’Aime” niet meegerekend). Vierentwintig jaar zijn hun namen inmiddels gemeengoed bij cinefielen, en ook het grote publiek raakt langzaamaan in de ban van dit eigengereide duo. Commercieel halen ze uiteraard hun grootste successen wanneer oompje oscar hen over de bol aait (“Fargo”, “No Country For Old Men”). In de naweeën van die laatste film deed deze “Burn After Reading” het eveneens uitstekend aan de Amerikaanse kassa’s met een opbrengst van ruim zestig miljoen dollar. Kassagerinkel dat waarschijnlijk ook toe te schrijven is aan een cast die publieksfavorieten George Clooney en Brad Pitt verenigt, zij het in voor hen atypische rollen.

“Burn After Reading” is naar goede Coengewoonte geen spek voor ieders bek. Afgaand op de acteursnamen op de affiche zou je misschien denken dat ze opnieuw bewust mikken op de gemene commerciële deler (net zoals bij “Intolerable Cruelty”) maar dat is (gelukkig) niet het geval. Deze komedie blijft lekker zondigen tegen de te verwachten gangbare regeltjes, en de Coens doen opnieuw vooral waar ze zelf zin in hebben. In dit geval is dit een spionagekomedie maken, al was het maar omdat er zo nog eentje ontbreekt in hun portfolio, dixit Joel Coen. Ethan Coen omschrijft de film dan weer als een Tony Scott-film maar dan met grappen in plaats van ontploffingen. Huiscomponist Carter Burwell kreeg alvast de opdracht om zijn score vol te stoppen met geheimzinnige drumgeluiden om zo een bombastische score te componeren die niet zou misstaan in een serieuze spionageprent. Wat dit dus geenszins is.

Joel en Ethan Coen kiezen andermaal voor een dominoplot. De eerste steen gaat aan het rollen met het ontslag van CIA-analist Osbourne Cox John Malkovich, die zich in het f-woord vastbijt als een strandstoelverkoper in een topless zonnebaadster). Volgens zijn overste wordt hij overgeplaatst omdat hij een drankprobleem heeft, maar Cox ziet die degradatie niet zitten en besluit zelf op te stappen en bij wijze van tijdverdrijf zijn CIA-memoires in boekvorm te gieten. Cox’ echtgenote Katie (Tilda Swinton), die een relatie heeft met de aan paranoia lijdende financieel ambtenaar Harry Pfarrer George Clooney), wil na de zoveelste opdoffer scheiden van Cox en kopieert stiekem diens persoonlijke files op een cd-rom om die te overhandigen aan haar advocaat. Katie kopieert toevallig ook Cox’ memoires en die worden door een verstrooide secretaresse achtergelaten in de fitnessclub Hardbodies. Het schijfje wordt gevonden door fitnessmonitor Chad Feldheimer Brad Pitt die de hoofdrol in een biopic over Jerry Lewis lijkt te ambiëren) en die ontcijfert de gegevens meteen als ‘serious shit’. Onder impuls van zijn collega Linda Litzke (een in topvorm verkerende Frances McDormand), die geld nodig heeft voor plastische chirurgie, besluiten ze Cox te chanteren. En dat hadden ze beter niet gedaan, al was het maar omdat Linda inmiddels ook een relatie heeft met Pfarrer…

Joel en Ethan Coen schreven dit scenario quasi gelijktijdig en afwisselend met dat van “No Country For Old Men”. Heel wat van de rollen in de film (die van Pitt, Clooney, McDormand en Malkovich) werden speciaal voor de acteurs geschreven, die dan ook niets anders konden dan toehappen. McDormand (de echtgenote van Joel Coen) en Clooney (in zijn derde samenwerking met de broers) moesten niet eens over het voorstel nadenken, Pitt en Malkovich lieten het uiteraard ook niet aan hun hart komen en grepen de kans om met de Coens samen te werken met beide handen aan. Niet in het minst omdat dit het eerste scenario van de broers is dat niet op een ander scenario of boek gebaseerd was sinds “The Man Who Wasn’t There” in 2001. Op dat gebied is dit dus zeker vintage Coen.

De beste Coenkomedie is dit niet geworden (“The Big Lebowski” en “O Brother, Were Art Thou” zijn niet zo gemakkelijk uit het collectief geheugen te verwijderen), maar het is wel een (heel) goede. Verwacht je niet aan een recht-voor-de-raapse dijenkletser, maar alweer aan een vaak compleet van de pot gerukt verhaal waarin de lachsalvo’s eerder komen door extreem droge humor op het voorplan te plaatsen of door de acteurs heerlijk overdrijvend gesticulerend hun ding te laten doen. En dat levert andermaal hoogst amusante cinema op.

Alex De Rouck